Emissie en internationaal verhandelbaar emissierecht

Broeikasgas emissiebeleid
Nationaal energiebeleid
Energie-efficiëntie beleid
Certificering en Emissieverklaring.

 

 

 

De CO2 emissie in de wereld tot een minimum beperken is wellicht de grootste uitdaging waar de mensheid voor staat. Verworvenheden die nog niet eens zo heel lang geleden in ons leven zijn geïntroduceerd,zullen we moeten afzweren. Dat terwijl CO2 slechts een van de circa 50 geregistreerde broeikasgassen is.

 

Emissiebeleid ter reductie van alle broeikasgassen is vastgelegd in het Klimaatverdrag van 1992 en verder uitgewerkt in het KYOTO Protocol van 1996.Nederland heeft dit als EU lidstaat wettelijk vastgelegd, waarbij het jaar 1990 geldt als referentiejaar. Geldend voor alle sectoren van de Nederlandse samenleving(bedrijfsleven,transport,gebouwde omgeving,landbouw en overig) is het door de EU toegewezen quotum CO2 emissies vastgesteld op 200Mton.

 

Daarnaast heeft Nederland zelf sinds 1970 een eigen energiebesparingsbeleid gevoerd. Dus waar het Europees beleid gericht is op emissie reductie is het Nederlandse beleid gericht op energiebesparing. De Nederlandse regering heeft zich nu uitgesproken voor aanpassing aan de Europese Richtlijnen voor de nieuwe handelsperiode 2013-2020.In de nieuwe Europese Richtlijn Energie-efficiëntie (2011) wordt duidelijk dat er extra maatregelen moeten worden genomen om de reductie van emissies en van de energie nog meer te reduceren. Dat vormt een extra uitdaging maar ook belasting voor alle sectoren in de Nederlandse samenleving.

 

Stichting EIC heeft meer dan 15 jaar ervaring opgebouwd met metingen en wettelijke bepalingen die de NEa hanteert als het gaat over broeikasgassen. De stichting EIC heeft zelfs een uniek concept Emissie-efficiëntie ontwikkeld om
de meetgegevens te kunnen gebruiken als nulmeting t.o.v. in het verleden toegepaste milieu besparingsmaatregelen per bedrijf. Deze zogenaamde ‘’autonome situatie’’ kan het betreffende bedrijf voordeel opleveren.

 

 

 

De vraag is………

 

Wil het bedrijfsleven nύ zélf de concurrentiemogelijkheid benutten, die ontstaat per 01-01-2013, of wacht men de politieke beslissingen af?

 Is emissiehandel nu wel of niet toegestaan?

 

 

 De situatie bekeken:

Het recht op verhandeling van wettelijk toegekende emissierechten vergt uitleg van het Kyoto Protocol en zal in juridisch opzicht wezenlijk verschillen ten opzichte van de situatie van vóór 2013. Het betreft:

  • de inwerkingtreding van het EU ETS systeem;

  • de evaluatie van de 1e en 2e emissie handelsperiode;

  • de huidige en nieuwe situatie vanaf 2013,

 
Stichting EIC wil met deze beknopte uitleg, vooral de niet specialisten, een uitleg geven over de uiteindelijke individuele gevolgen. De politieke ontwikkelingen zijn veelal onduidelijk, desondanks heeft elke onderneming een eigen verantwoordelijkheid in duurzaamheid en zal daarvoor op termijn over worden afgerekend.

Stichting EIC helpt u de weg te bewandelen, door de wirwar van regels en wetten, om tot een acceptabel resultaat te komen. resultaat. 

 


Het ‘recht’:

Het ‘recht’ is in dit geval een communautair interpreteerbaar begrip op verhandelbaarheid van emissierechten. Het heeft een definitieve betekenis en handelswaarde gekregen in het Klimaatverdrag en de bijlage Kyoto Protocol waarin. Door een meerderheid van landen en deskundigen is vastgelegd,
dat uitstoot van broeikasgasemissies de veroorzakers zijn van onacceptabele aantasting van de aardse atmosfeer.

Het ‘recht’ is in dit geval toepasbaar als ‘eigendomsrecht en privaatrecht’ . Met name is het ‘recht’ van toepassing voor broeikasgasemissies die tot op zekere hoogte nog steeds noodzakelijk zijn, in de voorzieningen voor energieproductie. Maar die geleidelijk vervangen kunnen worden door andere vormen van energiebronnen, die minder belastend zijn voor het milieu en minder fossiele grondstoffen vereisen. Dit ‘recht’ komt deels tot uiting in de EU richtlijn 2003/87/EG; het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, op 9 mei 1992 te New York aangenomen., zie wetgeving.

 

Om de broeikasgasemissies te inventariseren, te registreren en paal en perk te stellen aan de Internationale hoeveelheid uit te stoten emissies, is er gelijktijdig in het Kyoto Protocol, het ‘recht’ op een ‘uitstoot eenheid’ per individu of rechtspersoon vastgelegd. Het zogenaamde “emissierecht”.

 

 

Het “emissierecht” betekent in de verschillende verdragen, beschikkingen en richtlijnen een breder interpreteerbaar begrip. Daar waar een Internationaal verdrag een aanduiding hanteert over verhandelbaarheid van het ‘recht’, hanteert een Europese beschikking of richtlijn over de uniforme toepassing van het ‘recht’ binnen de Gemeenschap. De EU richtlijn over het ‘recht’ is in EU verband een geschatte eenheid. Het legt daarmee verband tussen het landelijk volume en een relatie met de mogelijkheid van dubbeltelling . Vooralsnog en gemakshalve hanteert Stichting EIC, in deze uitleg, de basis EU richtlijn 2003/87/EG.

 

Het ‘recht’ stelt elk individu of rechtspersoon , op basis van een gecertificeerde referentie of nulmeting (het voor de emissie vaststelling), een gelimiteerde hoeveelheid emissies per jaar beschikbaar. Dit voor de noodzakelijke bedrijfsontwikkeling en bijdrage aan de economie in de thans nog geachte onoverkomelijke vervuiling.

 

De beschikbaarheid van deze emissies is in 1997 gekoppeld aan het vastgesteld quotum (totaal volume aan landelijk toegekende emissies uit het Kyoto Protocol), die naar rato verdeeld werd over de geschatte emissiesectoren. Minus de geprognosticeerde landelijke groeifactor en de inflatiecorrectie die als extra reserve werden opgevoerd.

 

Tevens is vastgesteld, dat er jaarlijks binnen een vooraf aangegeven periode een Internationale reductie van emissies moet plaatsvinden, waardoor het totale emissieplafond (Europees en lidstatelijk), uiteindelijk wordt verlaagd.

 

Extra kosten zijn te vermijden, door de uitstoot van emissies boven de nulmeting te voorkomen. Doordat procentueel de nullijn ook voor een individu of rechtspersoon wordt afgebouwd (van 100% naar 90%, naar 80%, enz.), zal ook een individuele inspanning moeten worden gedaan, in de vorm van een energie of milieubesparing of het accepteren van een ‘boete’ wegens het nalaten van maatregelen .

 

De ‘boete’ zal door de overheid vanaf 2013 worden opgelegd door de uitvoering van de Wet Milieubeheer, de energiebelasting of een audit op grond van de nieuwe energie-efficiëntie wetgeving 2013.

 

 

De verwarring in het ‘recht’ op uitstoot is:

 

1. De EU uitstoot van emissies is vastgelegd per periode. Het betreft een optelsom van emissies van EU lidstaten, die elk afzonderlijk een doelstelling hebben, gemeten naar het bruto binnenlands product en vormen tezamen het totaal aan EU uitstoot. Voor de EU is gekozen voor een geschatte situatie in het jaar 2030, met terugrekening naar 1990, 2000, 2010 en 2020.

 

De onnauwkeurigheids factor bedraagt in 2010 voor Nederland ca. 15% t.o.v. 1990 (200Mton CO₂ eq). Bijkomende factor is dat binnen de EU, slechts, de installatie voor grotere bedrijven een graadmeter vormt. Het onderdeel verhandelbaar emissierecht en geregistreerd emissierecht, is slechts ten dele beschikbaar voor (grote)bedrijven met veel emissies. De overgrote meerderheid van bedrijven is niet deelnemer aan verhandeling.

 

2. De Internationale situatie is volkomen anders, waarbij de eigenaar van een proces, product of installatie etc., het ‘recht’ mag gaan verhandelen. Daarbij aangetekend dat er ook een mogelijk overdracht van emissierechten (contractuele overeenkomst), kan plaatsvinden tussen een individu of rechtspersoon,
of anders mits rekenschap is gehouden met het toegewezen emissie belang van het land van herkomst.

 

In de EU richtlijn 2003/87/EG, zie wetgeving, is het recht op uitstoot vastgelegd op basis van het uitstootrecht van de ‘installaties’. De ‘installatie’ wordt beperkt tot de ‘input’ en ‘output’.

 

De eigendomssituatie in de EU richtlijn is beperkt omschreven een geeft geen verwijzing van het ‘recht’ op verhandelbaarheid. Deze situatie is tot 2009 ongewijzigd gebleven en is pas met de vernieuwde richtlijn 2009/29/EG zie wetgeving, ten dele aangepast. Dit is het EU gegeven, terwijl de Internationale wetgeving spreekt over het emissierecht, waarbij verhandelbaarheid is gekoppeld aan registratie (het voorkomen van dubbeltelling), zonder dat voorwaarden worden gesteld aan de afkomst van emissies.

 

Door de beperkte EU handel in emissies, waarmee alleen geselecteerde bedrijven en EU overheden mochten handelen, bestond er verder geen noodzaak deze ‘eigendomssituatie’ wettelijk vast te leggen voor de periode 2005-2012. De indruk die bij het bedrijfsleven is gewekt, was dat een emissierecht niet van toepassing was voor het bedrijfsleven. Dat beeld is versterkt door negatieve informatie over het emissierecht en de verhandelbaarheid . Daarbij werd tevens de indruk gewekt, dat alleen energieproducenten over emissierechten konden beschikken. Dat lidstaten zelf als overheden zich bemoeiden met de emissiehandel en zich gedurende de periode 2005-2012 op de buitenlandse emissierechten (CDM en JI) hadden gestort, werd nu en dan duidelijk in de beperkte publicaties.

 

Een begrijpelijke redenering was dat de kosten, die zouden ontstaan door de geschatte emissies, wel eens beduidend meer konden worden dan voorspeld, zodat in een jaarlijkse buffer moest worden voorzien. Een buffer die achteraf zelf en met gemak zelf door de sectoren konden worden opgebracht. Onbegrijpelijk, omdat de economisch belangrijkste sectoren, zoals het MKB, volledig buitenspel werden gezet door het handelen van de regeringen.

 

Vooral m.b.t. de 1e en 2e handelsperiode, waren de EU overheden duidelijk in de rol van emittent. Omdat de situatie 2005 t/m 2012 vanuit de EU Commissie de gelegenheid bood om te kunnen handelen met kosteloos toegewezen emissies op basis van de referentie emissies 1990 en geschatte herberekening voor de 1e en 2e handelsperiode.

 

Voor Nederland was de verdeling in grote lijnen: ETS deelnemers (de ca. 400 grote industriële bedrijven zoals energieproducenten) werden ingeschat voor tezamen ca. 100Mton emissies per jaar, waarvoor zij een jaarlijks een kosteloze compensatie ontvingen, die bij een geconstateerd overschot (boven de meetbasis) verhandelbaar waren.

 

Niet-ETS deelnemers (het overgrote deel van bedrijven en instellingen) werden daarbij vertegenwoordigd door de Nederlandse overheid die het overig deel,
ca. 100Mton emissies per jaar, als ‘beheerder’ onder haar hoede nam.

 

In de boekhoudkundige verantwoording werden emissies t.o.v. 1990 en het resultaat van inspanningen, door de ETS en niet-ETS deelnemers, getotaliseerd en werden geraamde ‘tekorten’ die ontstonden door de niet-ETS (het ontbrekende deel van duurzame inspanningen) gecompenseerd met de aanschaf van emissierechten uit het buitenland d.m.v. CDM (Clean Development) aankopen.

 

Het resultaat was dat Nederland daarmee voldeed aan de inspanningen die door de EU waren opgelegd.

 

Het voorgaande in grote lijnen geschetst was niet conform de afspraken in het Kyoto Protocol. Daartoe is de zogenaamde inspanningsverdelingsbeschikking, zie wetgeving, opgesteld die voorziet in een gemeenschappelijke aanpak inclusief een gelijke verdeling van de kansen en verplichtingen. Tevens is ook het subsidiariteitsbeginsel , zie wetgeving, geïntroduceerd, waarbij de inspanningen worden verdeeld over sectoren, als overheid, lagere overheid, bedrijfsleven in individu, waarbij de verantwoordelijkheden gelijkmatiger worden verdeeld.

 

Stichting EIC geeft aan welke situaties vanaf 2013 ontstaan en waarbij het ‘recht’ toepasbaar kan worden voor bedrijven die emitteren in 2013 en emitteerden in voorafgaande jaren.

 


De nieuwe situatie:

Vanaf 2013 geldt de 3e handelsperiode 2013-2020 voor ETS deelnemende bedrijven. Zij die in voorgaande perioden de kosteloos toegewezen emissierechten hebben ontvangen, krijgen deze emissierechten weer in de periode 2013-2020, maar met een procentuele jaarlijkse vermindering van ca. 10% . Dit betekent dat ten opzichte van de meetbasis (zoals is vastgelegd in de monitoring van de NEa(Nederlandse Emissie Autoriteit)) zie wetgeving, jaarlijks ca. 10% aan emissies moet worden bijgekocht op de handelsmarkt of kunnen die worden gecompenseerd door reductie van emissies.

De energieproducenten ontvangen vanaf 2013 geen kosteloze emissies meer en deze bedrijven zullen de tekorten aan emissies moeten bijkopen op de beurzen. Wel is vastgelegd dat zij de totale emissies voor energie productie mogen doorberekenen aan hun afnemers.

 

 

Met betrekking tot de overige sectoren zijn binnen de EU en lidstaten nieuwe regels van toepassing geworden die een onderzoek voor het gebruik van het emissierecht voor en van de individuele emittent rechtvaardigen. De niet ETS deelnemers zijn: de overige bedrijven en instellingen, die wel verantwoordelijk zijn voor hun emissies, maar sinds 2005 niet mochten handelen in emissierechten. Daar omtrent het volgende:

  

1. Het Europees emissieplafond moet worden verlaagd voor 2013-2020, omdat in de periode 2005-2012 geconstateerd is, dat binnen de EU emissie handelende bedrijven een teveel aan jaarlijkse emissierechten (dus kosteloze emissies), hebben ontvangen. Mede hierdoor is er een overschot op de Internationale emissiemarkt is ontstaan terwijl er een schaarste aan emissies was voorzien.

 

De schaarste (Schaarste broeikasgasruimte in de EU) zie wetgeving en daardoor hogere emissieprijs zou handelende bedrijven stimuleren om investeringen te doen.

  

De verlaging van het EU emissieplafond wordt alleen doorberekend aan de niet-ETS deelnemers, omdat in EU verband is vastgelegd, vanwege de concurrentiepositie de ETS deelnemers niet meer inspanningen mogen doen dan is vastgelegd. Omgerekend ca. 800 miljoen euro per jaar!

 

2. De emissies van energieproducenten worden doorberekend aan de afnemers. Omgerekend ca. 1,5 miljard euro per jaar!

 

3. De Internationale emissie reductie verplichting 30% in 2020, heeft voor de niet-ETS sectoren een extra kostenpost die door belastingtechnische maatregelen zal worden doorgevoerd.

 


Een oplossing:

 

De kosten voor klimaatinspanning zal op verschillende niveaus geleidelijk merkbaar en niet merkbaar worden ingevoerd. Deze kosten zijn gebaseerd op:

1. De doorberekening van energieproducenten;

2.De afbouw van kosteloze emissierechten voor ETS deelnemers; 

3. Het verlagen van het EU emissieplafond.

 

Waarbij overige sectoren zich moeten realiseren dat veranderingen in EU klimaatwetgeving, ook ten gunste kunnen worden aangewend, zoals:

1. Herziene EU wetgeving stelt bedrijven instaat om zich op de markt te begeven van verhandelbaar ‘recht’ van emissies.

 

Dit ‘recht’ is van toepassing voor elk bedrijf en instelling die zich conform de wetgeving wil schikken in het opgeven van emissies (monitoring van emissies door energie-efficiëntie audits). Deze gecertificeerde audits zijn nodig voor Internationale verhandeling en registratie van emissierechten.

 

De prijs die wordt ontvangen per ‘recht’ is marktconform. Dit betekent dat een ‘recht’ op de markt (Internationale emissie beurzen, door een erkend emissiemakelaar) wordt gebracht en wordt overeengekomen op het moment van acceptatie. De procedures zijn Internationaal vastgelegd en daar kan niet vanaf worden geweken.

  

De toepassing van het ‘recht’ is afhankelijk van het bedrijf of instelling en welke emissies van toepassing zijn. In de vorm van het ‘recht’ kan sprake zijn van onder andere eigendomsrecht, publieksrecht, opstalrecht, overdrachtsrecht etc., waarbij de afspraken en contracten met derden een belangrijke rol spelen. Elk ‘recht’ is dus maatwerk en is lonend wanneer er onduidelijkheid ontstaat in volume, waarbij bijvoorbeeld de Wet Milieubeheer in het geding is of er sprake is van een waarde van meer dan enkele duizenden euro’s aan verhandelbare emissierechten. Waarde is ca. € 8,- tot oplopend € 30,- per 1000 kg. CO₂ eq emissierecht.

 

Veelal zijn er situaties waarbij emissierechten spelen wanneer een installatie op locatie (energieproductie), in de ‘input’ en ‘output’ een verschil in emissies opleveren.

 

  

Stichting EIC.